Ook de nieuwsbrief van Landgoederen en Buitenplaatsen in Zuid-Holland ontvangen? Schrijf je in!

Architectuur

 
De bouwkunst in de 16de en de vroege 17de eeuw werd gedomineerd door een wildgroei aan decoratieve vormen. In de 17de eeuw ontstond behoefte aan een sobere en strakke architectuur die meer in overeenstemming was met de idealen van de klassieke bouwkunst. De Tien boeken over architectuur van de Romeinse bouwmeester Vitruvius (1ste eeuw v.Chr.) en de daarop gebaseerde architectuurtraktaten van 16de-eeuwse Italiaanse architecten als Alberti, Vignola, Palladio en Scamozzi, vonden gretig aftrek en werden in ons land uitgegeven. Onder invloed hiervan ontstond de bouwtrant die men later het Hollands Classicisme is gaan noemen. Overigens was er ook aanzienlijke invloed vanuit Frankrijk.
Men streefde naar een rustige monumentaliteit, waarbij de verhoudingen in de architectuur meer spreken dan de details (Hofwijck, Meerzicht, Zorgvliet, Clingendael, Oud Poelgeest, Berbice en Oostergeest).
In grote lijnen zouden deze classicistische principes het beeld van de Nederlandse landhuizen tot ver in de 19de eeuw bepalen. In Zuid-Holland zijn de meeste landhuizen dan ook eenvoudige, min of meer blokvormige gebouwen, voorzien van een souterrain met daarboven één of twee bouwlagen. De regelmatig ingedeelde voorgevel is in de regel vijf tot negen traveeën breed, waarbij de vensters aan weerszijden van een centraal gelegen entreepartij in de gevel zijn ondergebracht. De middenas van het huis kon worden benadrukt door een risaliet, eventueel met een fronton bekroond, of door een koepelvormige uitbouw (Berbice te Voorschoten, Rhijnhof bij Leiden). De bedaking wordt gevormd door één of meer schilddaken, afhankelijk van het aantal beuken waarin het huis is onderverdeeld, of, later door een omlopend schilddak met plat.
Op deze basisvorm werd op talrijke manieren gevarieerd. Sommige huizen bezaten een monumentale en vaak hogere middenpartij tussen lagere zijvleugels (Rijksdorp bij Wassenaar) of bestonden uit drie rond een cour gerangschikte vleugels (Huis te Warmond). Al met al zijn symmetrie en betrekkelijke eenvoud de belangrijkste eigenschappen van de Zuid-Hollandse landhuisarchitectuur.
De detaillering van het gebouw was sterk afhankelijk van de heersende mode. De detaillering van 18de-eeuwse huizen sloot aan bij de ‘internationale’ Lodewijkstijlen (Lodewijk-XIV en XV-stijl). Huizen uit deze periode hebben vaak lijstgevels, bij rijkere huizen in combinatie met attiek en mezzanino en schuifvensters met roedeverdeling. Ter verfraaiing werden de gevels geregeld uitgevoerd met een geheel of gedeeltelijke bekleding in natuursteen, geblokte pilasters en een pronkrisaliet, respectievelijk ter benadrukking van de hoeken en de middenpartij van de façade. In de loop van de 18de eeuw kreeg men weer behoefte aan versobering en verstrakking.
Alle landhuizen in Zuid-Holland zijn in de loop van de tijd aan de heersende smaak aangepast. Dit heeft als gevolg dat bijvoorbeeld originele kruisvensters met roedeverdeling zeldzaam zijn. Wel zijn 17de- en 18de-eeuwse gevels bij recente restauraties weer voorzien van vensters in oorspronkelijke vormen om zo de historische aanblik te herstellen (bv. Hofwijck te Voorburg).
Hoewel de detaillering dus veranderde, voldoen de meeste landhuizen in Zuid-Holland aan het hierboven geschetste classicistische model. Uitzonderingen vormen gebouwen die voor 1600 en na circa 1850 werden gebouwd.
Na circa 1850 worden de chaletstijl en eclectische stijlen als de (Franse) neorenaissance steeds belangrijker. De vanaf die tijd ontstane huizen zijn vaak de moderne, meer comfortabele en meestal op permanente bewoning ingerichte opvolgers van oudere huizen. In de 20ste eeuw komen daar de moderne architectuurstromingen bij, met werken van gerenommeerde architecten als W. Kromhout, Jac.Ph. Wormser en P. Vorkink en J.W. Hanrath.