Kasteeltypen

 

Ringwalburchten (circa 875-1100)

De oudste kasteelvormen langs de Hollandse en Zeeuwse kust zijn de ringwalburchten. Dit zijn grote ronde aarden wallen met aan de buitenzijde een houten palissade die een binnenterrein omgeeft. De wal werd omgeven door een brede gracht.
Deze verdedigingswerken werden in het laatste kwart van de 9de eeuw opgeworpen en behoren tot een grote groep versterkingen die vanaf de Vlaamse kust tot in Denemarken voorkomt en die is aangelegd om bescherming te bieden aan de lokale kustbevolking toen de Noormannen vanuit zee plundertochten hielden. Daarom lagen deze burchten vooral in de buurt van riviermonden, waar de Vikingen aan land kwamen.
Voor Zuid-Holland worden dergelijke ringwalburchten verondersteld in Maasland en Naaldwijk aan de Maasmond en Rijnsburg bij de monding van de Oude Rijn.

Grafelijke residenties

Sinds 895 had de Hollandse graaf Dirk II de keizerlijke goederen tussen de rivieren de IJssel en de Lier in bezit gekregen en waren allerlei Koninklijke rechten aan hem overgedragen, waaronder het recht om versterkingen te bouwen. In die periode had de graaf van Holland nog geen vaste residentie, maar reisde met zijn gevolg door zijn territorium. Uit de 12de en 13de eeuw zijn er plaatsen bekend die de graaf als min of meer vaste woonplaats hebben gediend. Het Binnenhof te Den Haag was er daar een van. Het groeide later uit tot de vaste residentie van de graaf.

Mottekastelen (1000-circa 1270)

Dit type kasteel komt in Europa vanaf de 11de eeuw voor. Het is een kunstmatige heuvel (motte) met een regelmatige vorm en steile zijden die gewoonlijk door een natte of droge gracht wordt omgeven. Op de afgeplatte top van de heuvel staat een versterking, aanvankelijk een houten toren omgeven door een houten palissade. De houten opbouw op de mottes werden later vervangen door torens van natuur- of baksteen, met of zonder een ringmuur. In Zuid-Holland hebben ten minste 22 mottekastelen gelegen. Voorbeelden van grote mottekastelen in Zuid-Holland zijn de Leidse burcht en de burcht van Oostvoorne.

Ronde, ovale en veelhoekige kastelen

Aan het einde van de 12de eeuw werd het dure natuursteen als bouwmateriaal vervangen door het goedkopere baksteen. Dit maakte het betaalbaar om grotere kastelen te bouwen met ruimere woonvertrekken. Nadeel was dat deze zware constructies moeilijk konden worden gebouwd op een opgeworpen heuvel.
Bij de hoge adel werden vanaf het begin van de 13de eeuw de mottekastelen getransformeerd in een nieuw type kasteel dat nog wel de ronde vorm met de mottekastelen gemeen had. Het ronde kasteel evolueerde in de loop van de tweede helft van de 13de eeuw in een veelhoekig kasteel, wat tot voordeel had dat de flanken beter konden worden verdedigd. Tegen de binnenzijde van de ringmuur kon een royaal woongebouw worden opgetrokken. Voorbeelden van dergelijke kastelen in Zuid-Holland zijn Teylingen in Voorhout, Oud Teylingen in Warmond, Ter Does in Leiderdorp en mogelijk Groot Poelgeest bij Koudekerk aan den Rijn.

Vierhoekige kastelen

Het vierhoekige kasteeltype komt voor vanaf ongeveer 1275. Het heeft in zijn zuiverste vorm een rechthoekige plattegrond met op elke hoek een uitspringende toren ter verdediging van de flanken. De woongebouwen waren in de regel tegen de binnenzijde van de ommuring gebouwd, meestal tegenover de ingang. Het oudste rechthoekige kasteel in Zuid-Holland is het Huis te Riviere te Schiedam dat tussen 1268 en 1275 werd gebouwd. Andere kastelen in Zuid-Holland die volgens het principe van het vierkante kasteel werden gebouwd waren het kasteel van Gouda (1361-1384) en Huis te Merwede bij Dordrecht(14de eeuw).

Woontorens, zaaltorens en compacte zaaltorenkastelen

De simpele woontoren is voor de lage adel de opvolger van het kleine mottekasteel. In tegenstelling tot een mottekasteel, staat de woontoren of donjon niet meer op een heuvel, maar op een eiland omgeven door een gracht. De toren werd – zeker na 1200 – gebouwd uit bakstenen. Soms bleef het kasteel beperkt tot de woontoren. De gebruikelijke vorm van de woontoren is vierkant of rechthoekig. Huis Dever te Lisse wijkt met zijn D-vormige plattegrond hiervan af.
In enkele gevallen werd bij de bouw van de woontoren al geanticipeerd op uitbreiding. Het eiland waarop de woontoren werd gebouwd, is dan aanzienlijk groter dan de woontoren zelf. De donjon werd dan niet in het midden van het eiland geplaatst, maar op een van de hoeken, zodat er volop ruimte overbleef om gebouwen toe te voegen. Een voorbeeld van een dergelijke bouwvorm is het Huis te Warmond (1362 of eerder).
Indien de woontoren meer dan een vertrek per verdieping had, wordt gesproken van een zaaltoren. Een voorbeeld  hiervan is kasteel Heenvliet. Dit bestond sinds 1260 uit een rechthoekige zaal. Op de hoeken van de zaal stonden ronde hoektorens. In de 14de eeuw werd de gracht aan een zijde uitgelegd en werden er vleugels rond een binnenplein tegen de toren aangebouwd, waardoor een zogeheten compact zaaltorenkasteel ontstond. Dit is het compromis tussen het rechthoekige kasteel dat de hoge adel en de landsheren zich konden permitteren en de simpele woontoren van de lage adel.

Omgrachte adellijke huizen

De overgang van de verdedigbare kastelen naar de niet meer reëel verdedigbare omgrachte woningen van edelen was een geleidelijke. De edelen gingen door met het bouwen van omgrachte huizen en het aanbrengen van elementen waar de kastelen hun verdedigbaarheid aan te danken hadden gehad, maar vanuit militair-defensief oogpunt stelde het weinig meer voor. Elementen als arkeltorens, weermuren, hoektorens en dergelijke werden als statusverhogend beschouwd en nog slechts als versieringsornamenten aangebracht, waardoor het uiterlijk van de omgrachte huizen een gelijkenis ging vertonen met de echte kastelen uit de 13de en 14de eeuw. Bovendien begon men op bouwkosten te besparen door de muren minder dik uit te voeren. ‘Kastelen’ met deze kenmerken worden wel coulissenkastelen genoemd.