Ook de nieuwsbrief van Landgoederen en Buitenplaatsen in Zuid-Holland ontvangen? Schrijf je in!

Feodale achtergrond

 
Slechts weinig buitenplaatsen in Zuid-Holland hebben een riddermatige achtergrond. Holland ontwikkelde zich in de loop van de 15de en 16de eeuw en vooral na de Opstand tot een burgermaatschappij. Het burgerlijke patriciaat had zich, mede door de bloeiende handel en nijverheid in deze periode, weten te emanciperen. De invloed van de Hollandse adel nam in de late 16de en 17de eeuw juist sterk af. Het platteland – de bestaansbasis van de adel – was getroffen door de Opstand en de latere landbouwcrises. Daarnaast zag de veelal katholiek gebleven adel zich geconfronteerd met een staatsbestel waarin uitsluitend plaats was voor hervormden. Omdat adelsverheffingen onder de republiek in de 17de eeuw niet voorkwamen, kon de Hollandse adel niet anders dan geleidelijk uitsterven.
Tal van heerlijkheden en andere feodale terreinen kwamen in de loop van de tijd dan ook in handen van gefortuneerde niet-adellijke regenten en burgers, die voor hun inkomsten niet van het platteland afhankelijk waren. Toch was het vooral voor lieden met topposities van het landsbestuur, katholieken en mensen die anderszins waren uitgesloten van deelname aan het bestuurlijke leven, aantrekkelijk om ‘heer van’ aan hun naam te kunnen toevoegen.
Overigens waren lang niet alle adellijke bezittingen ambachten of heerlijkheden met daaraan verbonden (heerlijke) rechten. In sommige gevallen waren de rechten die verbonden waren aan het bezit beperkt tot de zogeheten zwanendrift (het recht om een koppel broedende zwanen te houden), of jacht- en visrechten. Toch konden dergelijke complexen worden uitgebreid tot pseudo-heerlijkheid, compleet met kasteel (Huis te Schelluinen, Berendrecht te Alphen aan den Rijn).
Het was maar een kleine groep (de crème de la crème van de regentenklasse) die zich de prestigieuze weelde van een echte heerlijkheid kon permitteren. Bovendien was het aantal ten opzichte van de stadsresidentie gunstig gelegen ambachten en heerlijkheden beperkt. Een voorbeeld van zo’n gunstig gelegen hoge heerlijkheid is De Tempel in Overschie nabij Rotterdam. Men stichtte de buitenplaats toch bij voorkeur op een plaats die vanuit de permanente residentie goed bereikbaar was.
Al met al waren er in Zuid-Holland betrekkelijk weinig adellijke bezittingen die tot buitenplaats werden omgevormd. De belangrijkste buitenplaatsen met een middeleeuws-feodale achtergrond die tot op de dag van vandaag als buitenplaats geheel of gedeeltelijk zijn blijven voortbestaan, zijn van noord naar zuid: Hof te Hillegom, Huis te Warmond, Oud Poelgeest en Endegeest te Oegstgeest, Ter Horst en Duivenvoorde te Voorschoten, Zuidwijck en Raaphorst te Wassenaar, Binckhorst te Den Haag, De Werve te Voorburg, Te Werve en Den Burgh in Rijswijk, het Kasteel van Rhoon, Heenvliet, Abbenbroek, ’t Hof van Assendelft te Heinenoord en ’t Hof van Moerkerken te Mijnsheerenland.