Ook de nieuwsbrief van Landgoederen en Buitenplaatsen in Zuid-Holland ontvangen? Schrijf je in!

Geografische spreiding

 
Het overgrote deel van de buitenplaatsen in Zuid-Holland bevindt zich in het uiterste westen van de provincie. Dit hangt samen met de aanwezigheid van strandwallen en het binnenduingebied. Deze van het noorden naar het zuiden lopende, sinds de laatste ijstijd (einde 10.000 v.Chr.) onder invloed van zee en wind afgezette zandruggen, lagen ten opzichte van de omliggende veen- en weidegebieden wat hoger en vormden zo langgerekte, vrij smalle stroken relatief droge grond. Het waren daarom van oudsher favoriete vestigingsplaatsen.
Aan en gedeeltelijk op de strandwallen werden in de Middeleeuwen kastelen gebouwd. Ook de meeste oude bewoningskernen in Zuid-Holland liggen op de strandwallen. Niet alleen de bewoningskernen, maar ook het wegennet was van oudsher volledig op de droge strandwallen georiënteerd. Aan de voet van de strandwallen en in de lager gelegen, venige strandvlaktes tussen de strandwallen waren wateringen aangelegd. Deze waren in eerste instantie gegraven ter afwatering van het gebied, maar groeide later uit tot belangrijke transportwegen, zoals bijvoorbeeld de Vliet.
Vanuit Leiden en Den Haag waren de op de strandwallen liggende dorpen gemakkelijk te bereiken en het is dan ook niet vreemd dat langs de transportroutes in de loop van de 17de en 18de eeuw talrijke buitens werden gesticht. Zo bepaalden linten van buitenplaatsen het aanzien van dit deel van het Zuid-Hollandse landschap.
In het zuiden van Zuid-Holland ontbreken de strandwallen, maar is er sprake van een jonger duinlandschap. Ook het westelijke uiteinde van het land van Voorne is dus wat hoger gelegen, wat aanleiding was voor het vestigen van buitenplaatsen aldaar.
Andere favoriete plaatsen voor de vestiging van buitenplaatsen waren de oeverwallen langs de rivieren. Deze oeverwallen waren ontstaan doordat de rivieren onder invloed van de seizoenen op gezette tijden buiten hun oevers traden en dan telkens een laagje klei afzetten. Deze sedimenten lagen ten opzichte van de veengebieden in de regel wat hoger.
Door de aanwezigheid van oeverwallen werden op de oevers van de Rijn tussen Leiden en Alphen talrijke buitens gevestigd. Alleen in Alphen waren er rond 1900 al 46. Van deze concentratie is helaas maar weinig overgebleven. In Leiden zijn Rhijnhof en Buitenzorg voorbeelden van op stroomruggen gelegen buitens. Ook langs andere rivieren zijn concentraties aan te wijzen. In Rotterdam bevond zich reeds in de 18de eeuw een aanzienlijke hoeveelheid buitens langs de Nieuwe Maas. Dijkzicht, De Heuvel en Schoonoord zijn hier restanten van. Op plaatsen waar geen duinruggen en strandwallen of stroomruggen waren, maakte men gebruik van andere natuurlijke verhogingen in het landschap, zoals donken, in de ijstijd door wind opgestoven duinen, zoals bijvoorbeeld Huys ten Donck.