Ook de nieuwsbrief van Landgoederen en Buitenplaatsen in Zuid-Holland ontvangen? Schrijf je in!

Landschapsstijl

 
In de loop van de 18de eeuw raakte men uitgekeken op de stijve, geometrische tuinen met hun geschoren hagen, hun rechte lanen en hun symmetrische opzet waarbinnen alles zijn logische plaats had. Men ervoer die stijl steeds meer als ouderwets en onnatuurlijk, terwijl de overladen decoratie van bosketten en compartimenten als gekunsteld werd beschouwd. Dit was niet de manier waarop men de natuur moest beleven: men zocht een nieuwe weg waarop de natuur de kunst de hand kon reiken en omgekeerd.
Het was een heel ander landschap dat nu werd nagestreefd en dat tot in onze tijd het beeld van talloze buitenplaatsen zou gaan bepalen: grazige weiden, omzoomd door golvende bosranden vervingen de vierkante, rechthoekige, ronde of ovale kabinetten in de bosketten van de oude geometrische tuinen. In plaats van de met passer en meetlat uitgezette vijvers in allerlei vormen legde men nu waterpartijen met een grillig oeververloop aan. Deze werden gevoed door slingerende beekjes. De grond die bij het uitgraven van de vijver was vrijgekomen, gebruikte men om heuvels op te werpen. Zeker in het westen, waar parken en tuinen op het vlakke land werden aangelegd, betekende dit een hele ingreep. Wanneer de buitenplaatsen langs de binnenduinrand lagen, liet men zich bij voorkeur leiden door de aard van het terrein.
De nieuwe ideeën werden voor het eerst in Engeland toegepast, in de jaren rond 1720. Er werden niet alleen klassieke bouwwerken in parken opgericht. Ook verwijzingen naar andere tijden en verre landen werden in de tuinen verwerkt, zoals ruïnes van middeleeuwse kastelen, Chinese paviljoens en Turkse tenten. Het pittoreske karakter van dergelijke tuinen werd onderstreept door het gebruik van verschillende soorten bomen, die soms in groepjes en soms solitair waren geplant. Ook qua vorm en kleur van de beplanting werd dit nagestreefd. In deze tijd kwamen de rode beuk, de Italiaanse populier – een substituut voor de zuidelijke cipres – de treurwilg en allerlei soorten naaldbomen in de mode.
De eerste parken in landschapsstijl in ons land waren bescheiden. Het park van Huis ten Donck was één van de eerste parken die – vanaf 1765 – in landschappelijke trant werd omgevormd. Van de tuinarchitecten heeft vooral de familie Zocher zijn sporen nagelaten, zo ook in Zuid-Holland. In de 19de eeuw kwam de landschapsstijl tot volle bloei. In Zuid-Holland werden vrijwel alle buitenplaatsen tussen circa 1780 en 1850 volledig op de schop genomen, hoewel er geregeld rekening werd gehouden met bestaande formele structuren. Vaak zijn die parken, voor zover niet aangetast door de oprukkende verstedelijking, tegenwoordig volgroeid en bieden zijn nu het beeld dat eigenaar en architect voor ogen hadden.
Rond 1870 ontstond in de tuinaanleg weer behoefte aan beslotenheid en geometrische structuren, vooral dicht bij het huis. Zo werd opnieuw de eenheid van huis en tuin benadrukt. Bij een aantal buitenplaatsen werden tuinen met buxus- en taxushagen aangelegd, geïnspireerd op de classicistische, geometrische tuinkunst. Exponenten van deze stijl waren de tuinarchitecten H. Copijn (1842-1923) en L.A. Springer (1855-1940). Van hem werden op diverse plaatsen ontwerpen in gemengde stijl uitgevoerd.